Lazare en Cecile

Martine Bijl

Men zegt dat Lazare en Cecile 
Op een maanverlichte nacht 
Zwijgend vluchtten uit het dorpje 
ze waren grootgebracht, 
Dat de Cecile tooide 
Met een stralend bruidstoilet,
Rond Lazare mantel plooide 
Met de zilveren dauw bezet.
 
Ach - men had wel in de gaten 
Cecile een rare was, 
Dat ze met de vogels praatte 
En soms danste in het
En men lachte om Lazare 
Die zijn van papier 
In zwarte ven liet varen 
En dan straalde van

Men zegt dat Lazare Cecile 
Aansprak op een zomerdag, 
Dat Cecile hem herkende 
Bij de eerste oogopslag 
Want zijn wereld was de hare - 
Men bekeek hen met wat spot 
Maar had niet veel bezwaren 
Ach, de dwaas zoekt de zot.
 
Toen de eerste bladeren
Ging de roddel door de straat 
Dat ze dikker Cecile 
En de spot sloeg om in haat. 
beneden zou ze branden 
Die de duivel had bemind 
Maar Cecile haar handen 
Om haar ongeboren kind. 

zegt dat Lazare Cecile 
Op een maanverlichte nacht 
Zwijgend vluchtten uit het dorpje 
Waar ze waren grootgebracht, 
En ze gingen op de vleugels 
Van de zomerwind 
Naar een land achter de
Naar een toekomst voor hun kind.
 
Misschien dat het dorp verwachtte 
Dat ze boetten voor hun daad 
Misschien zag men in
Al hun lijkstoet in de straat, 
Maar wie lang heeft moeten leven 
In een diepe eenzaamheid 
Wil zijn leven niet meer
Als de liefde hem bevrijdt. 

Men zegt dat en Cecile 
Zijn getrouwd diezelfde
Bij het ven waar ze zo dikwijls 
Op elkaar hadden gewacht 
En de maan twee ringen 
Waar zijn beeld in tweeën brak 
In de rusteloze kringen 
Van het zilveren watervlak.

Ik alleen zag hoe ze gingen 
Want ik had hun verwacht 
Nooit zal iets het beeld verdringen 
Van schoonheid in die nacht. 
O Cecile, o Lazare, 
Wees gelukkig met je kind 
Want een hart kent geen bezwaren 
het zondermeer bemint.

Beluister hieronder het liedje:



OPTIES:











Hou de muis over het tekstveld
om de oplossing weer te geven.